"Zul je niet liever ’n licht opsteken, Piet?’, vroeg mevrouw, de gangdeur open duwend - lieve God, had ze vanavond ’n meelij met ’m - zag ze ’r tegen op, als de post met }t gesar van den oplichter kwam, als ’r weer zoo’n papier, dubbel folio, in den haard werd geworpen! Had Piet ?r niet dien Nieuwjaarsdag 1896 dadelijk gezegd: ‘Wat is dat met dien Van den Arend...! Is de vent gek...! Dat heb ik ’m niet opgegeven...! - had ze niet vol zorgen den afloop van ’t proces afgewacht, en den hemel gedankt dat ’t zoo af was geloopen...!
Hadden ze samen in ’96, toen ze met z’n tweeën ’t Ouwe en ’t Nieuwe vierden, omdat de kinderen nog te klein waren - hadden ze toen al niet met verbittering over ’t ongehoorde van den zwendelaar gepraat, die ’t noodig vond de schanddaad op te rakelen?
En was ’t in later jaren geen ergernis geweest, om altijd weer bij wijze van nieuwjaarsgroet zoo’n dubbel folio-papier te krijgen? Vanavond begreep ze de onrust van Piet.
Zij was zelf nerveus, en eerst weer op dreef geraakt door de vroolijk-heid van de jongelui.
Vanavond móést er ’n eind aan de laffe kwellerij komen. Piet kreeg geen post in handen. Den heelen dag had ze op de bel gelet, en terwijl ze aan tafel zaten, zou ze ’r voor zorgen, dat ’t vieze gedoe van dien Van den Arend, die hoe langer hoe meer aan lager wal zakte, niet onder Piet’s bereik kwam.
°k Ben ’r/ zei meneer, ’n paar doozen uit de kast lichtend: °k had ze te veel verstopt..
Lichtschuw schuifelde-ie de serrekamer in, na eerst nog om te hebben gekeken - nee, ’r lei niets, geen brief, geen krant, geen kaartje. Dolf had de wijnflesch open getrokken, mevrouw belde tweemaal, ’t Werd van *n intieme, de latere jaren, na Wouter’s langvoorzienen dood, niet meer gekende huiselijkheid.
Buiten vroor ’t zoo sterk, dat de serreglazen bebloemd bleven. De wind, vinniger opgestoken, floot in ’t tuintje, dat klimop tegen de wanden joelde en de struiken als bij storm tekeer gingen. Binnen sloegen de gebakken tongen, lijk door ’n heuschen kok op den schotel geordend, damp naar de nieuwe gaskroon - binnen knapperden de pommes frites tusschen Grete’s witte tanden - binnen stonden de wijnglazen op purperen schaduwtjes - binnen blies de haard z’n pofwangen rood.
240