voor vijf maanden kunnen droomen, met dat beeld van ’n kind, met die blonde engel, die vroeger geen oog voor ’m over had als-ie ’r opzettelijk ontmoette, ’t nieuwe jaar in te fuiven - met de advertentie ondertrouwd sinds dagen in de krant...?
‘Hè, nee toe, palief/ smeekte Grete: ‘laat de post nou tot morgen! Verleden jaar was ’r ook zoo’n afschuwelijke brief bij, die den avond ondersteboven gooide...! Weet je nog, ma...?’
‘Goed/ zei meneer zwakjes: ‘als je daar zóó bang voor ben, Grete, zal ’k vanavond geen enveloppe openscheuren... Maar...’
‘Nee, geen maaren!’ viel mevrouw ’m in de rede, en de kamer uitwippend riep ze Jo aan ’t keukentrapje, en zei ’r zonderling-be-slist: ‘Jo, luister even goed: als de post belt, dan laat je alles rustig liggen, en brengt niets in de serre! Verstaan? We willen door géén zakenbrieven gestoord worden. Begrepen?’
‘Ja/ antwoordde de meid.
‘En als ik tweemaal bel, dan doe je de tongen op, met op ieder ’n schijfje citroen en wat pieterselie ’r om heen. Zal je?’
‘Ja, mevrouw!’
‘Waar is Pa?’, vroeg mama, werom in de serre, en ’m niet ziend. ‘Pa haalt sigaren uit de voorkamer..
Dat dee-ie, zonder licht op te steken, op den tast. En onderwijl twee-driemaal naar ’t raam schietend, in de meening, dat ’r iemand op ’t bordes stond.
Was dat ’n rampzalige historie, ’n niet ophoudende marteling, ’n ding om juist op zoo’n avond gek door te worden - de véértiende ouwej aarsdag na ’t gebeurde - de véértiende maal dat-ie met de laatste post ’n afschrift van ’t vonnis wachtte, of-ie ’t niet van buiten kende...
Zich met de sleutels van de sigarenkast telkens vergissend, vlamde ’t in ’m op - met kleur en lijn en gebaar en geluid - hoe-ie op ouwe-jaarsdag - ’s morgens half twaalf - ’95 - ’95 - ’95; ’t gilde in z’n heeten kop - de twee voorste vingers van z’n rechter op had gestoken - en zonder ’n knippering van de oogleden ‘Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!’ gezegd - en gelogen - had. Als-ie ’t niét had gedaan, was-ie verloren geweest, was de firma Van Doorn en Zoon - Wouter leefde toen nog - op slag failliet verklaard, omdat bij de krankzinnige daling van de markt, ’t gat niet te stoppen was.
238