je arm - ik wil nog een paar graven zien...’
Ik weigerde ’t natuurlijk niet, hoezeer ’k bevreesd was de aansluiting te missen en bij m’n meisje, dat me met koffie-drinken wachtte, te laat te komen.
Langzaam tusschen de graven aanstappend, de ouwe, verzakte, vermolmde, bemoste steenen en kruisen, gevoelde ik waarschijnlijk meer beklemming en in zachte ademing schuilend ontzag voor den dood, bij ’t geschuier der blaren en takken, ’t verweer der kiezels onder de voeten ’t tjilpen van vogels en ’t vreemddoorziehtige der stilte op de weiden rondom - dan de kleine, gebogen man, wiens knokelhand op m’n arm rustte, wiens witte haren ’t zonlicht in zilver-spreiding grepen.
‘Hier ligt je grootmoeder,’ wees-ie: ‘en naast haar is ook mijn plaats besteld - ik heb ’t beloofd...’
‘Ja, ja,’ zei ik, in den hartelijken, gedeeltelijk onoprechten toon, dien men zulk een gelegenheid aanslaat: ‘... u heeft nog een halve eeuw den tijd, wat?’
Hij glimlachte, zonder te antwoorden.
Menschen op leeftijd zijn dikwijls innerlijk sterker dan in-jeugd-protsenden...
Van de plek bij ’t middenpad, liep-ie naar den groen-begroeiden muur. De lente had tusschen de baksteenen bloemen gestrooid, fleurige halmen, donsgele paddestoelen.
‘Kun jij lezen wat daar staat?’ vroeg hij even aarzelend, en z’n vinger wees ’n in onkruid verzonken zerk.
Voorzichtig, benepen van beweging, wiedde m’n voet ’t in de letters gevreten mos.
‘Klazina...’, las ik spellend.
‘Juist,’ glimlachte grootva: ‘dan heb ’k me niét vergist! Daar rust Klaasje, m’n eerste vrouw...’
Met ’n stillen, troebelen glans in de oogen keek-ie naar den grauwen gespleten steen. Ik stoorde ’m niet.
’t Trof me dat-ie nog ’n bezoek aflegde, dat-ie meer dan één herinnering op dat kerkhof had.
Naar de koets terugkeerend, de weiden met ’t door den wind strak-gekuifd gras langs, steunde-ie weer op m’n arm, zei:
‘Spijt me - spijt me - ’t is dom en kleintjes van me geweest - maar...’ ‘Wat bedoelt u?’, vroeg ’k bij z’n geaarzel.
222