heid gebaseerd uit te drukken - zet bij de ratteklem van ’n horribel stuk ’t spek van ’n paar mooie oogen, en de meest-littérair-ontwik-kelde dramaturg verliest in ’t gunstigste geval wat veeren van z’n reputatie! Ik accepteerde, maar... schreef reeds den volgenden dag, dat ik plotseling verhinderd was van de vriendelijke invitatie gebruik te maken, ’t Was me tè machtig. Nog eens - nu waarlijk met heldenmoed doorworstelde ik de resteerende tafreelen van ‘Tarquinius Superbus’, de bloedige avonturen van Tarquinius Priscus, Servius Tullius, Tullia en hoe ze verder heetten. Bij de gruwelijke scène tusschen Sextus en de onteerde Lucretia viel ’t doek op ’t oogenblik van ’t moment suprème, aan ’t einde van ’t vijfde tooneel, en bij ’t begin van ’t zesde zat Lucretia, ’n drie bladzijden lange monoloog jammerend, op haar sponde. Ondoenlijk. De taal was gezwollen, rethorisch - de luguberste, meest-tragische scènes beloofden ’n schitterend lachsucces. Tegelijk met m’n beleefd excuus voor den komenden Zondag, liet ik het keurig verpakt manuscript met een in hoffelijke termen vervatte critiek omhoog dragen. Ik gaf m’n bovenbuurman-dichter, gelijk dat bij het weigeren van een stuk gebruikelijk is, te kennen dat ik vele passages in zijn werk ten zeerste bewonderde, dat vele fijne gedachten me buitengewoon hadden getroffen, maar dat - en maar dat - en maar dat - en maar dat... en dat ik bijgevolg tot mijn leedwezen verplicht was ‘Tarquinius Superbus’ te retourneeren. Daarmee was de zaak nog niet van de baan. Twee, drie dagen later, terwijl ’k met Périer confereerde, werd ’n visitekaartje afgegeven, ’t kaartje van m’n bovenbuurman. ‘Kijk jij ’ns even, wie dat is!’ zei de directeur. ‘Daar hoef ik niet voor op te staan,’ antwoordde ’k ongeduldig: ‘dat is ’n hardnekkig type met ’n stuk dat ik al twéémaal gelezen en tweemaal geweigerd heb!’ De didhter werd niet ontvangen.
Maar nog denzelfden dag kwam ’r ’n onaangenaam briefje, door haar geschreven, waarin ze zich bij Périer beklaagde, dat z’n secretaris ’n parti-pris tegen ’n bepaalde kunstrichting scheen te hebben, dat die secretaris ’r zoo talentvollen man niet fair had behandeld, door ’n arbeid waaraan Théod. Smit twee jaar gewerkt had, in ’n uur door te snuffelen, en dat ze ’n beroep op ’t hart en ’t verstand van mijnheer Périer, die in kunstkringen zoo hoog stond aangeschreven, deed, om het treurspel zélf eens in te kijken...
De directeur, goed gehumeurd, door de volle zalen van ’n drama a
218