aan ’t opletten waren, bootste-ie na wat de ouwe aan honderden nekken dien dag had gedaan, ’r Brak iets zachts, iets zonder weerstand in z’n wringende, dwaas-bevende handen - maar toen de haan datzelfde, doodsangstig, gefolterd geluid, dat-ie al zooveel maal had gehoord, reutelde, liet-ie ’m, zélf lijkwit, los. ’t Dier strompelde kort tusschen de stuivende veeren op den grond, vloog een zwak moment tot bij de geplukte kippen, gurgelende rauw-krijschend, bonsde neer met ’n smak.
‘Je heb ’m geraakt!’ zei de baas: ‘maar je mot ze nooit los laten -anders halen ze de gekste kunste uit... Doe ’t nog maar is, Lodewijk ..
‘Daar blijf ’k, moeder,’ zei-ie dien avond, zoo stellig, dat ’r niet aan te twijfelen viel - en de rookwalmen ploften z’n bleek gezicht, met de nog niet afgewaschen bloedspetten, uit -: °k heb ’r over de twintig geplukt, vier zélf de nek omgedraaid - dat doe je zoo: krak, krak...’
Zij luisterde vrindelijk - licht dat ’t eindelijk lukte.
VAN DEN ANTWERPSCHEN TREIN EN DE PECH
Nog laat in den nacht en ’s morges overnieuw bij de lamp, omdat ’t pikkedonker was, hadden ze ’r met zenuw-gezichten bij zitten dillebereeren - as oom Mijkel honderd maal hardnekkig herhaalde -of d’r ’n viesjelant of de kruier-van-naast-de-pekelkomkommer-win-kel most worden besteld. Met de groote koffer van tante Sofie - die geleend was met ommegaand werom - en oppasse in gosnaam voor de bojem, die keduuk van de laatste reis was geworde - met dat bakbeest van ’n kist, kon je niet op de electrische - jammer genoeg! - had je te kiezen tusschen ’n viesjelant en de kruier. Eerst hadden ze oom Mijkel, die liever lui as moe werd, die de koffer op de imperjaal wou zetten, om dan zelf met z’n zessen in de koes te kruipen -reken is an; zes passies van de tram gespaard! - gelijk gegeven, maar omdat moeder de stuipen op d’r lijf kreeg, as ze an de grachten dacht - enkel dacht - de grachten waarin de viesjelant terecht kon
203