Benee in den kelder begonnen de twee knechts slaperig bij ’tlicht van de gaspitten te werken. De stad dutte nog. Bleu, geen woord pratend, omdat de anderen niks zeien, keek de jongen naar de hokken met de wakker geschrikte kippen, ganzen, eenden. In den schijn der lampen schuddebolden ze de veeren, pikte voer - en ’n enkele haan kraaide lustig den dag tegen de gasvlammen in, schril dat ’t echoos in de cementhokken sloeg, ’n Poos hadden de knechts hazen gestroopt, telkens met ’n ruk, dat enkel de kop aan ’t bleeke lichaam bleef - nou de patroon zelf in den kelder kwam en de manden met versche waar naar benee werden gedragen, schrikte Lodewijkje uit z’n gedoezel op. ’t Geschreeuw van de ganzen, in de hokken gejaagd, ’t gekakel van angstige kippen en hanen, ’t ge^ kwaak van lichtschuwe eenden, vulden de ruimte met ongewoon rumoer.
‘Vlug jongen,’ maande de patroon, die overal tegelijk was - boven herten keurde, beneden zei wat ’r gebeuren moest: Vlug leeren plukken, ’t is ’n slag - uitkijken hoe de anderen ’t doen...’
‘Ja baas/ zei Lodewijkje gedwee - met kon-ie bijna niet praten. De oudste knecht, heelemaal wit - in den kelder was-ie vergrijsd -had de knokelige hand in den morsigen ren gestoken. De kippen, krijschend en vluchtend, de koppen tezaam in ’n hoek mekaar bijtend om niet gegrepen te worden, schreeuwden zoo angstig, of iemand om hulp riep - en de eene, die de knecht handig te pakken had, torde en kermde, dat ’t ’t gillen van ’n gemartelde, fel-klagende vrouw leek. Even spartelden de vlerken nog - even rukten de pooten - even was ’t ’n machteloos verweer - toen draaide de zekere hand den nek met ’n korten geluidloozen ruk - en ’n andere, licht-weifelende, schorre roep klonk over ’t al-stillend geraas der vogels in de kooien.
De kip, op de aanrechtplank gesmeten, stuipte zwakjes. De vleugels trilden. De pooten huiverden of ze door ’n onzichtbaren wind werden geslingerd. En uit den bek lekte purperrood bloed, gansche-lijk onhoorbaar, drup voor drup, op de bedding van veeren op den grond.
’t Ventje was ’r wit bij geworden. De oogen in z’n verstard smal gezichtje keken naar de als kraaltjes glanzende van de doode kip, die ’t licht van de lamp met paarse vonkjes weerkaatsten.
‘Nou jö!’ zei de meesterknecht ongeduldig - ’n last as je telkens met
201