werk in den steek laten.
Bij de kast trok-ie z’n gekleede jas uit, lichtte ’t kantoorjasje van den haak. Toen hing-ie z’n schoone manchetten op, opende den lessenaar, klom op de kruk, en terwijl-ie z’n gerij kreeg en de jongste bediende de boeken toeschoof, kromde z’n rug in oude, geduldige kromming.
‘Alle drommels!’ riep Van Velzen van den overkant: ‘wie heeft jou zoo in ’t goud gezet?’
‘In ’t goud?’
‘Sakkerloot wat ’n mooie ketting...!’
‘Heb ’k al lang,’ loog hij kregel.
‘Nou, ’k heb ’m nog nóóit gezien,’ praatte Vorsterman.
Ze werkten, redeneerden ’r wat tusschen door.
Over den klimop-muur van ’t achterplaatsje snee Augustus-zon ’n felgroenen, licht-ketsenden driehoek.
En ’t windje uit den tuin om den hoek dee de blaadjes spiralen en knikklen.
De muur liep zóó hoog, dat je geen hemel zag, enkel de groene, warrelende klimopsprieten, de zwart-groene blaadjes benee, de zil-verstuivende boven.
Tegen elven was de zon weg, werd ’t overal egaal grijziggroen, groen bestoven door stadswalm, groen dat slaaprig bleef benglen op ’t windje.
De lippen mummelend tegen ’t gepraat in - ’t gepraat dat niet mócht, de je tóch niet verbieden kon - begon-ie te tellen voor de maand-balans, met de pen de cijfers volgend, eerst van beneden naar boven, toen van boven naar beneden voor de controle en onderaan elke bladzij schreef-ie met potlood de getallen. Als ’t klopte ging ’t morgen in inkt. Hij telde langzaam. Soms hield-ie stijf de inktlooze pen halfwege ’n kolom, boog dieper naar ’t papier, telde voort. Malle Jans, die gedacht had, dat ze ’t kantoor groen hadden gemaakt - wat ze nou zeggen zou as-ie thuis kwam?
Trrrr...
De electrische schel.
Of meneer De Haan op ’t privé-kantoor wou komen.
Zacht-trillend liep-ie de gang door, wétend dat ’t niks was, dat de patroon en de procuratiehouder netzoomin an één Augustus dach
146