Angstig drukte de vrouw het slapend kind tegen zich aan, duwde de rokjes om de beentjes, boog zich voorover om den regen af te weren.
Bij elke vlamming van licht hield ze de hand voor de oogen, bang voor het driest vuur dat den vijver deed opleven, de boomen, de huizen.
Het werd hevig, woester.
Tot in de wijde verte waren huizen te zien, bleeke huizen met bleeke glimmende ruiten, witte gevels, spichtige daken.
En plots, na een dierlijker paarsblauwe raketting-van-licht, donderde een grommende, beukende slag, zwaar echoënd in ’t ruime huizen vierkant.
Met een gil werd wakker het kind.
‘O groomoe! Groomoe!’
‘Nou! Nou! Niet bang zijn!'
‘O! O! Ik ben zoo bang...’
Huilend kroop zij op tegen de vrouw, de vingertjes in de ooren stoppend om de slagen niet te hooren, die aanbeukten zonder rust - vuur en slagen - wreedvlammend sissend licht - donkere, donderende dreunen. Soms was het dag, stond het park in witten, schich-tigen schijn, boomen helder belicht en witte, scherpbelijnde huizen. De wind zwiepte de takken, gromde met joelend gesteun.
‘O! O!’ huilde het kind, ‘late we naar huis gaan... O! O!’
‘Kom dan!’ zei de vrouw, opstaand, zelf bevend van angst.
Haastig liepen zij het paadje langs, hijgend stilstaand als een verblindende bliksemstraal door de ruimte schoot, schokkend bij het zware rollen en reu tien der slagen.
Het hek was gesloten.
De straten waren verlaten. De regen striemde neer op de keien, op de stoepen, op de dampende lantaarns. Er was niemand. De huizen waren donker. Alles leek dood. Alleen de bliksem bevlamde de gevels, de kozijnen, de neergelaten gordijnen.
‘Ziet u nou wel dat we te laat zijn/ klaagde het kind, ‘en nou motte we hier blijve...’
‘Niet zoo klage/ troostte de vrouw, ‘late we maar wat schuile onder de boompjes/
En angstig liepen zij terug, tastend, soms den weg ziende in dag-schijn.
129