‘Motte we ’r niet uit, grootmoe?’ vroeg het kind.
‘Ja - strakkies, strakkies.. .’
‘En de wachter het gezeid..
‘Ach wat!’
‘En as we opgeslote worde?’
‘We worde niet opgeslote...’
Zij zaten dicht bij elkaar, de grijze grootmoeder, het kind. Schemering kroop over de daken, zwarter werden de toppen der boomen. Buiten de hekken klonk het geraas van karren, het stemmengerucht van menschen en kinderen.
De vijver, bleeker van waterglans, kromde tusschen de grasperken, de zwanen voortdreven statig, de halzen trotschlijk gerekt.
De oude zat gebogen, het kind dommelde in, leunde tegen haar aan. Zoo werd het avond, avond van loome broeiende luchten. De lantaarns werden ontstoken, licht kwam in de verre ramen der huizen. Over het water waasde een zacht-zijden damp, die teer de grasperken bekroop, de struikjes deed drijven.
Vager werden de lijnen der boomen, schimmen van zwart met angstigend fluisterbeweeg van de blaren.
Het kind was ingeslapen, het hoofdje in den schoot van de wakende vrouw.
De klok sloeg elf - de klok sloeg twaalf.
De straten waren zoo rustig als het park -, klonk alleen de dreunende stap van een agent.
Ook de oude sliep, zittend, met rustig beweeg van het hoofd, als wiegde het kalm op het spelen van wind.
Maar in de wolken beefden vlammingen van wit, vinnig licht. Soms leefden uit het duister heele dakenbrokken op, daken met gelijke pannen, zwarte, bleekroode pannen en zwijgende schoorsteenen.
Soms vlamde het donker heen, boorden aan uit den nacht boomen met staalgrauwe takken en witte bladeren.
Soms was de vijver glazig-wit, met spiegelende oeverranden. De wind stak op, schudde driftig de bladeren.
Eerst zacht viel de regen, toen sterker en striemender.
De oude werd wakker. Een bliksemflits doorsiste met paarse kwaadaardigheid de wolken. Er kwam nog geen slag, maar de regen barstte geweldiger.
128