NACHT IN HET SARPHATIPARK
Zij was een oude vrouw, ver over de vijftig, vroeg oud, met grijzend haar, verrimpeld gelaat. Haar dochter, verloren gegaan, had een kind achtergelaten, het kind van een officier. De grootmoeder had het kind opgevoed, zonder veel verdriet over de dochter.
Het gebeurt zoo meer.
Zij nam verstelwerk aan, naaide bij menschen aan huis, sloeg zich er door - tot de dagen van ellende kwamen. Er was niet veel toe noodig om de kleine, zure, benauwde zorgjes in angstigen kommer te doen overgaan. Het naaiwerk hield op. De families gingen naar buiten, naar badplaatsen en bosschen. Een familie verhuisde naar een andere stad. Een andere bedankte haar.
Lang nog hield grootmoeder het vol, bracht alles wat ze had naar den lommerd, de paar meubeltjes, de kleeren.
Toen kwam de dag dat zij van haar woning af moest en geen andere woning krijgen kon, omdat zij de laatste huurquitantie niet kon toonen. Allemaal gewoon.
Dien dag begon zij met het kind te wandelen. Het was een aardig meisje van twaalf jaar geworden, lief, vroolijk, met levendige oogen. Zij wandelden van ’s morgens tien tot ’s middags zes, winkels bekijkend, slenterend. In het Sarphatipark rustten ze uit, aten het brood, dat zij gekocht hadden. Een mooie zomeravond, wat te warm. Er speelden kinderen in het groen en de zwanen liepen op Jt gras, afscheurend de zomersche sprietjes. Ze hadden pas gebroed. ’t Was een lust de jonge zwaantjes te zien dribbelen naast de oude.
Het werd stil in het Park. De kinderen gingen heen, de zwanen zwommen kalm in den vijver.
Er kwam een wachter.
‘Tijd van sluiten!’
‘Is ’t al zóó laat?’ zei grootmoe.
Zij nam het kind bij de hand, liep het laantje af naar den uitgang. Terwijl dacht ze na. Naar een toevluchtsoord durfde ze niet. Al was ’t winterdag, zou ze niet gedurfd hebben. Waar kon ze beter blijven dan hier? Schuw trok zij het kind mee over het grasperk, school achter een boschje tot de wachter voorbij was.
Toen liep zij het wandelpad terug, zat weer op het plaatsje van straks, met het gezicht op den vijver.
127