licht. Hoor ze klappen! Niet ’t minste benul van kunst! As ze ’r benul van hadden, zouen ze zulk spel niet toejuichen, laat staan ’n krans geven!
Kwaadaardig smeet Bokje z’n pruik tegen den grond in de klee-kamer. Vroeger was-ie kantoorklerk geweest, had ’n tijdje gerederij-kerd, z’n snor laten scheren, gefigureerd - nóu was-ie acteur. Zelfs de critiek begon notitie van ’m te nemen. De Purmerender Courant had ’m geprezen in een serieus stuk, de tooneelverslaggever van Kennemerland had hem lof toegebracht in een klucht. De knipsels bewaarde-die in z’n portefeuille. Maar nog nooit een krans. Vijf jaar acteur en geen krans. Alleen de hoofdrollen kregen kransen, -en een hoofdrol gaven ze je natuurlijk niet. Die palmden de anderen in. Ze wouen je niet an de beurt laten komen. Ze hielden je onder met d’r jaloersche streken. Ze wisten wel dat als je gelegenheid kreeg - je ze allemaal met ’n zet voorbij schoot. De judassen!
Bokje kleedde zich aan. Hij was van een sombere gestemdheid, ’n Waarachtig kunstenaar hechtte wel niet aan aardsche ijdelheden - meer groote mannen leden tijdens hun leven - zelden werden profeten geëerd in hun eigen land - de artistieke loopbaan was er een met vele en jammerlijke hindernissen - maar zoo een klein, lief kransje, ’n kransje met linten - en bij het voetlicht buigen - en nog eens buigen - god, wat ’n geluk! Het was jè toppunt. Het was een geraffineerdheid dat je wegsmolt bij de bedenking.
Voor zijn toiletspiegel, het bolle gelaat glimmend door ’t smeltende vet, droomde hij...
Maar ze stoorden hem in z’n kransenrêverie.
‘Bokje!’
Wel verduiveld - daar had je Hein, de komiek, de boffer, die telkenmale belauwerd werd.
‘Ja...!’
‘Wil jij me een genoegen doen?’
‘Wel zeker.’
Bokje glimlachte gelijk goede confraters plegen te glimlachen.
‘Ga jij direct naar ons hotel?’
‘Ja - dadelijk, ’k Heb slaap,’ zei Bokje.
‘Zeg, wees jij dan zoo vriendelijk en neem mijn krans mee. ’r Is hier niet één tooneelknecht en ik mot nog uit.’
‘Met plezier - waarom niet.’
123