KIES
Toen Bultje de laatste lantaarn had uitgedraaid, schouderde hij z’n lat, liep met ijverige dribbelpassen den langen weg terug.
Het was vijf uur. Grauwe morgenschemer dampzwaar lag over de daken. ?r Slenterde ’n agent, ’r Gingen werklieden vaal en plomp in het geaarzel van den komenden dag.
Bultje zette ’t tot ’n drafje. Zijn hoofd leek te verzinken in den zwarten, builenden rug. De lat met den haak dreigde als een speer. ‘Wat heb jij ’n haast!’ riep de agent, de wollen handschoenen kloppend, dat de damp er langs schudde.
‘O man! O man!’ schreeuwde Bultje, kortademig van het snelle gaan.
Meer zei hij niet.
Puffend, hijgend, liep hij de gracht over, sloeg het zijstraatje in, klopte aan de deur van de kelderwoning.
Marietje dee open. Haar wit gezichtje leek witter door den doek er om heen en den grauwen ochtendschemer, die de ruiten aan de overzij glanzen deed met het staalgrijs eener stilstaande verschrikking.
‘Nou?’ vroeg Bultje, nog op de stoep.
‘O vader! Vadertje!’ huilde zij, de zwarte vingers om den mond. ‘Wel allemachtig!’ zei hij kwaadaardig, ‘heb je ’t nog is met brandewijn geprobeerd?’
‘O ja,’ klaagde zij kermend; ‘o ik ga dood...!’
‘Nou! Nou! Nou!’ gromde hij.
Zij huilde drensend; hij schonk zich ’n kop koffie, ’t Was niet te doen. Den heelen nacht had ze ’m wakker gehouwen. Anders sliep-ie tot half vier, ging de lantaarns uitdraaien, tukte wat na als-ie klaar was. Vannacht kwam ’r niks van. ’t Schaap hield je wakker, ’n Onmensch zou nóg niet geslapen hebben bij zoo’n gelamenteer, laat staan bij ’t gekerm van je eigen pleegdochter. Bij de tafel schudde ze ’t hoofd, soms gillend van pijn.
Bultje, die een stevig gebit had en maar eens was getrokken, wist wat ’t was.
‘Hij mot ’r uit,’ zei hij driftig z’n schoenen uitschoppend.
‘O nee, niet trekken!’ klaagde het meisje.
‘Niet trekken? - Wacht jij maar is. Nou het ’t lang genoeg ge
119