Nou was ’t twee uur voor ’t afscheid. Om elf zou Lisette naar Arnhem afreizen, zou de rust in ’t huisje terugkeeren. En tot ’t laatste oogenblik hitste ’r de dwaze, benauwende angst, had ze ’n kwartier staan popelen waar ze waren, wat ze zoo vroeg uitdeeën...
‘Lisette heeft chrysanten meegebracht/ zei ze tot Frits, toen ie zonder iets te zien aan de ontbijttafel bijschoof.
‘Da’s erg lief van je,5 zei hij, de bloemen van z’n stoel taxeerend. ‘En waar bij jij geweest?’
°k Heb me laten scheren, Ans.’
°k Heb je overal gezocht.’
‘Heeft de meid je dan niets gezegd?’
Bee die had ’t vergeten. Die vergat alles, ’t Dee ’r niks toe. Nou maar vlug ontbijten - anders moest Lies zich zoo haasten. Blij dat ze zich vergist had, praatte ze vroolijk, bijna uitbundig. Ze was een mal mensch, ’n vreeselijk mal mensch. Op zoo’n manier maakte ze zichzelf ongelukkig en Frits onverschillig. Wat ’n jammer dat Lisette al om elf uur ging. Ze kon toch best tegen den avond gaan. Wat had ze nu zoo’n haast? Nietwaar, Frits? Als Frits even telegrafeerde, wisten ze in Arnhem dat ze nog ’n halven dag bleef. Kon ’t niet? Moest ze zoo positief terug? Nou, dan kon je meteen zien, dat ze zich heelemaal niet geamuseerd had. Dat hoefde Lies niet tegen te spreken. Als je je amuseerde keek je op geen paar treinen later. Nee, Lisette had nou eenmaal geschreven, dat ze zoo laat arriveerde, en ze moest nog heusch ’n massa dingen beredderen. Als je onderwijzeres was, ging ’t niet aan den laatsten dag van je vacantie ’s avonds thuis te komen. Dan was je den eersten dag van de school èxtra-katterig...
Kopjes thee slurpend, belegde boterhammetjes etend - ’t was ’t galgemaal - dat moest dan maar lékker zijn, zaten ze lang te tafelen. Toen ruimden de vrouwen af, bleef Frits even met Lisette alleen. Annie stond benee aan de deur bij den groenteboer. Daar moest je zelf bij zijn. De meid liet alles in d’r handen stoppen.
Frits zat bij het raam. Lisette plukte dorre blaadjes van de andere potten in den standaard.
‘Hou je niet van chrysanten, Frits?’ - vroeg ze, öm te vragen.
Alleen met ’m babbelde ze, om ’r stem te hooren - om over de hinderlijke stilte heen te praten.
115