honden van Thijs.
‘...Maar meneer/ redeneerde de man, ‘wou u mijn nou die pot laten betalen? Ik kan toch niet helpen dat de honden van Thijs...’ ‘Vriend/ viel ik hem in de rede, ‘jij wist drommels goed de gewoonten van ’t dorp! Jij wist dat ze àlles vreten, zeep, mais, kippen - óók roomboter. Ga jij nou bij Thijs en speel is ferm op, dan krijg je van mij ’n fooi toe...’
’s Mans gelaat betrok.
‘... Opspelen bij Thijs - en de hónden...?’
‘... Da’s jouw zaak.’
‘Nee, dànk u meneer! En dan - is ’t waar of niet: mot me patroon geen aanklacht indienen dat ’r van zijn terrein boter is gestolen?’ ‘Jij had ’t niet moeten neerzetten ...’
‘Weet u wat, meneer: ga ù nou bij de veldwachter. En zend ù de veldwachter naar Thijs...’
De veldwachter was juist bezig de olielantaarns van ’t wegje te ontsteken.
‘Veldwachter/ zei ik, ‘de honden van Thijs hebben ’n potje roomboter van me opgegeten...’
‘Hónden die boter eten?’ bedacht hij verwonderd, boven op de ladder, onnoozel kijkend alsof hij niet wist dat de Thijs’sche honden het heele dorp bestalen!
‘Ja/ snauwde ik, eenigszins onwellevend. ‘De honden van Thijs hebben mijn boter opgegeten. De boter stond op de regenton van ’t hotel...’
‘Daar kan ’k niks an doen/ zei de veldwachter, omlaag komend; ‘dan had u de boter maar niet buiten motten zetten...’
Ik lei het geval nog eens precies uit, liet doorschemeren, dat ik er wat voor over had als Thijs bekeurd of beboet werd, maar de man had ’r geen zin in. Daarenboven meende hij, dat, zoolang ik geen reçu geteekend had - de boter door mij niet betaald hoefde te worden. Nijdig liep ik terug, ’t Was niémand z’n schuld, blijkbaar - en niemand droeg de verantwoordelijkheid, blijkbaar.
Bij ’t erf van Thijs klonk natuurlijk het huilend, krijschend geblaf der honden, die m’n witten broek zagen.
‘Ja, je ben braaf... Goed zoo... Goed zoo’ - suste ik.
De rooie beet lichtelijk in m’n broekspijp.
‘Rustig! Koescht!’ zei ik zónder eenig dreigend gebaar.
105