straks op uw regenton door de honden van Thijs opgevreten. U moet natuurlijk zorgen dat uw terrein veilig is. Ik zal u dus van uw rekening - wij stonden in rekeningcourant wegens diversen - een gulden aftrekken...’
‘Pardon/ zei de hotelier beleefd - menschen kunnen je soms met argumenten slaan! - ‘ik wil graag aannemen dat de honden van Thijs uw potje boter op mijn terrein hebben opgegeten, maar ik heb geen order gegeven het juist daar neer te zetten. Ik ben alleen verantwoordelijk voor wat ik in ontvangst heb genomen, en op het oogenblik dat mijn huisknecht uw potje op mijn ton zette, was hij niet mijn huisknecht, maar de looper van den agent van de stoomtram ...’
‘Da’s waar/ beaamde ik nuchter.
‘Daarenboven/ vervolgde m’n overbuur, ‘heb ik ’r niets geen lust in Thijs aan te spreken. Ga u zélf aan Thijs schadevergoeding vragen, en anders is de agent van de stoomtram verantwoordelijk zoolang u geen reçu geteekend heeft.’
‘Juist/ zei ik - en ’n half uur later sprak ik den agent van de stoomtram.
‘Meneer/ begon ik weer, ‘u heeft een potje roomboter van vijfenzeventig cent - met de vracht en het potje mee samen ’n gulden -aan den huisknecht van ’t hotel meegegeven - maar ik heb niks gekregen, omdat de honden van Thijs ’t op de regenton hebben opgevreten ...’
Eenige malen diende ik hem deezen duidelijken uitleg nader te ex-pliceeren.
‘Wel/ zei hij, na eenig bedenken - ‘dat gaat den huisknecht an.’ ‘Ik heb met u als patroon te maken/ zei ik gevat.
‘Geenszins/ hield hij kalm vol; ‘u woont op ’t terrein van ’t hotel -en de knecht van ’t hotel zei: geef ’t mijn maar mee. Ik ben niet verplicht ’t u te laten bréngen. U moet ’t halen. Dus moet u ’t maar uitvechten met den knecht van ’t hotel.’
‘O, zei ik tam, ‘dus mijn potje boter was niet franco huis..
‘ Welnee, meneer - wij laten wel is brengen, maar dat is louter goedheid ...’
Thuisgekomen riep ik den huisknecht.
’l: Spreekt dat ik den stakker niet voor mijn boter wou laten opdraaien, maar in ieder geval was ’t ’n zaak tusschen hèm en de
104