wat de dieren waarschijnlijk ’n wonder vonden - ze kregen enkel van uit de verte steenen - maar ze stierven niet. Ze waren zóó door alles heen, zóó uitgehongerd, dat ze wel ’n dozijn gebraden sponzen hadden kunnen verdragen. Ge zult na deze historische uiteenzetting de sensatie begrijpen van den avond, toen mijn potje roomboter arriveerde en door de honden van Thijs werd verzwolgen. En zie hier het ingewikkeld geval. De huisknecht van het hotel aan de overzij had de vriendelijkheid gepleegd het potje van de stoomtram mede te brengen. Daar hij iets te verrichten had, zette hij het potje op de regenton, en terwijl hij weg bleef, kwam de rooie van Thijs, hapte het papier door en begon mijn roomboter te belikken. Ook de grijze van Thijs smulde mee. Net, toen de huisknecht weerom keerde zag-ie ’t laatste gebeuren: het ledige potje viel aan scherven. Plotseling klonk een woedend gehuil. Ik keek over mijn verandah. ‘De schurftige schooiers!’ riep de huisknecht, ‘ze hebben uw potje te pakken!’
Daar de zaak eenigermate obscuur leek, schreeuwde ik. ‘Wie? Wat...?’
‘De honden van Thijs hebben de boter gevreten ...!’
‘Da’s wat moois,’ zei ik onrustig, ‘en ik heb nog niks ontvangen...’ ‘Tja,’ redeneerde de huisknecht, ‘ik kan ’r niks an doen. Teeken u in elk geval ’t reguutje van de tram...’
‘Welnee,’ zei ik verwoed - zou ’k dan nóóit wraak nemen over ’t geblaf en gebrul om m’n witten broek? - ‘ik teeken niks. Ik heb geen boter gekregen...’
‘Meneer,’ hernam de huisknecht, ‘mijn schuld is ’t niet. Dan mot u ’r maar mijn patroon over anspreken. Want op diè z’n terrein is ’t gebeurd...’
Ik gevoelde iets voor z’n logica. Daar mijn potje roomboter, blijkens het niet door de honden van Thijs opgevreten adres, voor mijn rekening en risico verzonden was, de huisknecht mijn boter niet had opgesnoept, en de diefstal gebeurd was op een neutraal terrein toe-behoorend aan den hotelier, scheen deze de aangewezen man om de schade te verhalen op Thijs en z’n vijf honden.
Ik begaf mij - vastbesloten de Thijs’sche beesten indirect te vervolgen - hotelwaarts.
‘Mijnheer,’ zei ik toornig, ‘een potje roomboter van vijf-en-zeventig cent - met de vracht en het potje mee ’n gulden bij elkaar - is daar
103