honden me dadelijk in de spiezen. Zekerlijk meenden ze dat ik te vroeg buiten was: Ik kon me althans nergens vertoonen of m’n kuiten liepen gevaar. Eens kreeg ’k ’n hap in m’n hand, die gelukkig afstuitte op m’n nagel; een andermaal schramde er een mijn vel. De genoegens van een vreemdeling dalen op die wijze. Vooral voor de honden van genoemden boer - om ’m dan tóch te noemen, zullen we Thijs zeggen - had ik onbedaarlijk respect. ’t Waren er vijf, vijf groote, magere, valsche beesten. Als de eene, ’n jakhals-beest m’n witten zomerbroek zag, begon-ie door die steedsigheid, door zoo’n öngewonen broek, zoo stierlijk-angstig te huilen, dat in ’n wip uit alle gaten van de heg andere jakhalsbeesten schoten en ik met heel-erg lieve woordjes ze van m’n lijf moest houden. Slaan mocht je niet, had de boer gezegd, anders béten ze. Ze liet zich niet slaan - omblaften je kwaadaardig en lawaairig tot je thuis was.
‘Thijs,’ zeide ik op een dag, toen z’n erf hond-loos was - anders zou ’k niet gewaagd hebben, ‘Thijs, zou je je beesten niet willen vastleggen - ’r gebeuren ongelukken ...’
‘Welnee jong,’ zei Thijs, z’n pijpje bekluivend, ‘enkel die bróék van je...! Ze doen niks. Alleen moet je niet dreigen - anders worden ze valsch ...’
Na ’n paar dagen vernam ’k in ’t dorp meer schunnigheden aangaande de honden van Thijs. Ze regeerden het plaatsje, gapten, roofden - iedereen scheen er vree mee te hebben. Zéker van z’n beesten gaf Thijs ze niet te eten. Dat moesten ze zelf maar scharrelen. En ze scharrelden ’t. Dan liepen ze een keuken binnen, roofden een stuk vleesch; dan pikten ze een kip, die uit ten bloeden hing, van den haak. Zie vraten alles. Ze vraten de mais die voor de kippen en duiven gestrooid werd. Ze vraten ’s winters, als ze bar uitgehongerd waren, de groene zeep uit de potten der inwoners. Ze slopen het koffiehuis binnen, keken in het buffet, duwden de kaasstolp omver, renden met de kaas weg. Zomer en winter leefden ze van afval en diefstal. Om te klagen, namen de bewoners de gelegenheid waar dat de erf veilig was, en als ze klaagden zei boer Thijs genoeglijk dat-ie blij was as-ie zélf te vreten had, en dat-ie geen vijf honden alléén kon onderhouden.
Eens bedacht de kok van het hotel een moordend plan. Toen ze een stuk biefstuk van ’m gestolen hadden, braadde-die in ’n leversausje vijf sponzen, gaf aan èlk van de jakhals-beesten ’n spons te vreten,
102