94 DAG BIJ SIEN
Terwijl stond Sien te koken. Ze had Jt èrg druk. Eerst lei ze haar kacheltje aan, zette water op, begon het beslag voor de pannekoeken klaar te maken. De groote potlepel roerde in de roodaarden pan; de knokelige handen bewogen ijverig.
„Jongeheer èn jongejuffrouw,” zei Sien: „nou zullen jullie is smullen!”
„Krijgen we énkel pannekoeken?”, vroeg zus.
„Nee hoor,” lachte Sien geheimzinnig: „jullie zal je maagjes vol eten . . . eerst lékker soepie . . . dan vleeschie met appels en lékkere saus ... en dan zooveel pannekoeken as je maar lust.”
Wij speelden al geen ganzebord meer. De soep stond te pruttelen, 5t vleesch lag te braden en in de roodaarden pan was een beslag voor een kazerne soldaten.
Sien liet ons voor afwisseling haar bedstee zien, een bedstee van oude kussens en gestopte dekens.
Er hing een crucifix aan het hoofdeind.
En ze vertelde van haar man, die gestorven was voor twee jaar, en wat hij gescheeld had en hóé benauwd-ie 5t an zijn hart had gehad en hoe-die hartstikken dood was gebleven an tafel.
Wij kinderen luisterden angstig, keken schuw rond. Van den schoorsteenmantel kreeg ze een vergeeld portretje. Wij namen het griezelend in de handen — tot we voor niets anders aandacht hadden dan voor de pannekoeken. Wat dee Sien 5t gezéllig. Net alsof je op de kermis was. Uit den potlepel glee 5t beslag in de koekepan en dan werd 5t meel langzaam bruin. Wij zaten er bij met een genot zonder einde. Soms mocht zus 5t beslag oplepelen, eens mocht ik den pannekoek „keeren”.
Sien bakte er wel twintig, bang dat we niet genoeg zouen krijgen.