BAARD 89
wegblijven. De societeit ging om één uur dicht. Waar zat-ie? Waar bleef-ie? Hoe schaamde die man, die ge-tróüwde man zich niet dood, om zóó laat thuis te komen! Als *r bij toeval nog een van de buren wakker was!
Angstig trok zij het gordijn op, net dat zij hem bij ’t licht van Jn lantaarn zag aankomen — schommelend van den stoeprand naar de huizenrij — dronken — stevig dronken. De derde maal in twee maanden! O! O! O!
Snauwend ontving zij hem aan de deur, scheldend, buiten haar zelve.
Hij keek haar lodderig aan, de oogranden rood, het overhemd bevuild, de das opgeschoven van het boord — de lange, mooie baard verward alsof hij zoo uit zijn bed kwam. Op al haar snauwen ging hij niet in, béte lachend, versuft, nauwlijks wetend waar hij was.
Bij het raam snikte zij het uit, wanhopig, beu van dat leven. Hij bewoog niet, zakte in slaap, het hoofd achterover op de kussens van de sofa.
Het lamplicht bescheen streelend het fraai gelaat, den grooten mannelijken neus, de matte glimming der oogleden, den weelderigen baard, die nu warde omhoog met afhangende tressen, fluweelig en soepel.
Zachtjes klonken haar snikken tot ze met bitse beweging opstond, wakker geschrikt door zijn snurken.
”J.an!”.
Hij lei rustig te slapen.
„Jan sta op! Ga na je bed!”
Even flitste het wit in zijn oogen, lachte hij vadzig, toen zakte het hoofd weer, klonk harder zijn snurken.
Hij was niet wakker te maken.
Stil keek ze hem aan, met een minachting zoo groot dat zij hem had kunnen sl&an. Hij walgde haar. Wat was hij zoo