90 BAARD
leelijk, afschuwelijk. Wat een vies individu. Hoe was zijn portret van tienjaar geleden, dat boven zijn hoofd hing, è.nders, met heel andren neus, andre oogen, andren mond! Hoe hadtte zij hem nu, hoe zou ze er alles voor willen geven om van hem verlost te zijn, om hem niet meer daaglijks voor zich te zien!
Weer zat ze te schreien bij de tafel, het hoofd op de handen, vaag nadenkend, moeër wordend, op. De lamp brandde vlak boven haar hoofd dat warm werd, bijna zakte in slaap. Dat was ’t begin, ’t Zou wel erger worden. Niks gaf-ie meer om haar. Niks. En zij die zooveel van hem gehouden had. Vroeger. Veel vroeger. Nou niet meer. Voor haar part kèken alle vrouwen . . . Maar dat schokte haar tot nieuwe woede. Andre vrouwen! Andre vrouwen die 9m knap vonden, die met z’n baard dweepten, andre vrouwen die-die inviteerde om te voelen hoe zacht ’t haar was.
Annet vanmiddag. Annet die ’m zoo bewonderend had angekeken om z’n baard. Zonder baard had-ie ’n schaapskop, ’n kalfachtig gezicht. Dat had ze opgelet als ze, toen ze nog goed met elkander leefden, gekscherend het haar wegduwde en haar hand op zijn kin lei. Zonder baard was-ie ’n monster, leek-ie misvormd.
Als ze . . . Plotseling klaarwakker, stond zij voor de sofa, keek hem weer aan. O, ze was gèk met ’m, al dacht ze van nee. Ze was krankzinnig verliefd. Ze zou ’m wel kunnen zoenen, zooals-ie daar lag — maar die badrd — die walgelijke baard, die baard, waarnaar Annet en zooveel andre vrouwen keken, die baard dien ze bevoelden en prachtig vonden, die smerige, ellendige baard. . .
Driftig, zenuwachtig-bevend, liep ze naar de tafel, zocht in haar naaimandje, greep de schaar en niet-meer-denkend, krielde ze bij de sofa, voor het slapend hoofd en angstig-