DE ZANGER
Carlien en oom David, zoo ouwelijk-verdord na nóg drie jaar venten en roepen in de Breestraat, dat-ie 5t niet weigeren kon. Over vier dagen reisde-ie af. Ze had 5r zoo’n schik in.
„Goed dan,’5 zei ie lachend: „maar Jk ben schor — 5k waarschouw je vooruit. Nou — also — stil dan!”
Stil werd 5t nog lang niet.
Eerst mos Saar 5n plaassie hebben en d’r waren geen stoelen genog. Dan maar bij oom Ben op z’n knie en dat gaf me 5n gegiggel en gegil van belang. En toen schreeuwde Carlien weer of ’t raam niet dicht most en tante Bekkie wou Jm eerst nog is vólschenken.
„Stil nou!” — riep oome Ben.
„Suscht dan! Wat maak je toch ’n lawaai om niks!” schreeuwde ome David.
„Suscht! Susch!”
Langzaam — een ruwe, ongeschoolde natuurstem met veel dikke-tong-geluiden — zette Joozep het lied van Wolfram in: „ Wie-ie-ie-ie (dat rekte hij wat lang om stilte te krijgen) ... — Wie-ie-ie-ie Todes-aahhahhnung . . . Damm-rung deckt die Lü-a-d-a-ander ...”
Met zwemmend-sentimenteele oogen stond hij bij ’t open raam-met-de-bloempotten, de handen gevouwen over den gouden horlogeketting, den mond dikwijls openwringend zoó dat de tonglap wijd te zien kwam. Van de binnenplaats drensden vage geluiden — 5t blerren van 5n kind boven — het felle rinkinken van de trambel in de dichtbij-e bocht. Achter en om de tafel met verwonderde, kleffe lachge-gezichten, luisterden tante Bekkie, moeder, oome Ben, nichie Saar, nichie Carlien en oome David. De plotselinge stilte in de broeiendheete kamer met het aangulpend geluid uit de wijdopen mondgrot van neef Joozep doezelde hen in vreemde, komiekige lacherigheid. Wat 5t r&dr klonk zoo in-eens. En watte de buren wel zeggen zouen van zóó’n stem!