132 DE ZANGER
Precies Lenardi van de Italiaansche in de Troebadoer. Maar dan overschokte hen een verwonderingsgolf. Joozep, nu weer in het vuur en de lol van z’n eigen stem te hooren bij die verwonderde luister-gezichten, zette met een schuddende sonore trilling het Dddadad scheinest Dü-ü-ü-ü-ü o lieblichste der Stèèèèèèrnen in, het geluid uit het strottenhoofd persend, dat-ie 5r paarsblauw van werd en de blauwe weerschijn van z’n ongeschoren baard zwart leek te schuimen. De kamer daverde en op de plaats hoorde je de buren saam-hokken. Wat ’n bèk kon die jongen opzetten. Gewoon-weg prachtig! Je trilde ’r van.
Genoeglijk-blij leunde moeder achteruit, de koffiekom in de eene hand, ’n afgebeten stuk kiks in de andere.
Oom Ben schudde knikkend-tevreden het hoofd en nichie Carlien die een hap in haar mond had, kauwde voorzichtig om het spuuggedruisch niet te hooren.
Oom David, die zat met ’n viezig opgetrokken lip, luisterend als een kenner die al véél van z’n leven gehoord heeft maar zóó iets nog nooit.
En nichie Saar lachte zoetjes — bangerig denkend an de kinderen van twee hoog, die al leien te slapen.
Joozep, de oogen drijvend in het ledige naar de balken-zoldering, de handen geperst op den buik, de mond vierkant open, rekte de laatste regels, de woorden er uit zwiepend met geweldige aandoening.. . „Ein seelger Eèèèèèèèngel Gèödddddttes zu wèèèèèèrden” . ..
En toen, nèt terwijl tante Bekkie wat hard haar kopje neerzette en Carlien de kruimels van haar schoteltje vingerde, hield-ie met een rük op, glimlacherde bescheiden en slurpte z’n koffie driftig leeg.
Ze klapten allen in de handen — en in de nu komende verlegen aandoeningsstilte hoorde je de menschen benejen praten ... de büren . . .