CORRIE 105
„Ja, ja”, knikte Twist. „En voelt onze zieke zich vandaag wat beter?”
„5k Ben niet ziek”, ontkende ze: „zoo’n beetje bloed, wat geeft dat. . . 5k Ben zwak, anders niet, anders heele-maal niets.”
Twist stond op na een poos, wandelde naar zijn kantoor, begaan met het stervend veertien-jarig kind in die lage tuinkamer. Hij had nog nooit een teringlijdster bij gewoond. Dat langzaam, gelaten kwijnen van het meisje, altijd moe, broos, zonder klagen, was hem een fantoom geworden in de weken dat hij zijn kamers bij de nieuwe „menschen” had. En, krap bij kas, liep hij toch den wijnwinkel binnen, bestelde opnieuw twaalf halve fleschjes witte port.
Anders ging hij meestal van kantoor, tegen 5n uur of tien, naar Suisse. Van avond wilde hij op z’n kamer werken. Dat eeuwig koffiehuisloopen hing je bij tijden de keel uit. Zacht opende hij de huisdeur, liep door de verlichte gang naar zijn kamer stak het licht op, luisterde . . . Zonderling leven was achter. Was er iets gaande? Corrie, die hem gehoord had, kwam haastig de gang in, confuus, druk-pra-tend, met lachjes van verlegenheid.
„Is u al thuis, meneer Twist?”
„Zoo je ziet, Corrie ... Is de wijn . . .”
„O jawel... Ik dank u wel... Ik dank u wel. . . Het waren ’r twaalf... Ik dank u wel.. . Gut, wat is u vroeg . . . U is nog nooit zoo vroeg. . . Wil ik de gordijnen voor u laten zakken? . . .5J
„Wel nee, kind ... Je moest al lang naar bed zijn . . . Heeft de dokter je niet gezegd . . . ?”
„O ja ... Ja zeker . . . 5k Ga ook dadelijk . . . Wil u de overgordijnen óók neer?”