102 REISVERHAAL
informeerde de stuurman. — „Acht, stuurman.” — „Mijn God!” schrikte de stuurman en peilde zelf nogmaals. Er kwam een algemeene opschudding. Wij zaten op een zandbank. „Indien ik even naar Maassluis telefoneerde?” vroeg de kapitein. Maar ik kwam tusschenbeide. Op mijn advies sprong de geheele bemanning en alle passagiers op het kommando „Een-twee-drie” tegelijk in de hoogte. Elk had onder zijn armen zooveel bagage en ballast genomen als zijn krachten het permitteerden. Gedurende den tijd dat wij opsprongen, schoot het schip een vadem in de hoogte en hoorden wij de kiel over het zand schuren. Wij waren gered.
Aan den horizon lichtte thans het roode licht van den steigerlantaarn en wij vermeenden ergens een venter te hooren: „Zoek ze maar uit! Zoek ze maar uit! Twaalef voor ’n dubbeltje!” De kust van de Weesperzij lag in de verte voor ons. Een eenzaam urinoir stond somber in de sneeuw. Het begon te regenen. Een ploeg arbeiders van de sneeuw-reiniging hield een vergadering. Maar een zware mist stak op en hulde het water in een dicht floers. De kapitein liet het anker zakken, aangezien hij niet durfde binnenvallen. Plotseling werden wij aangevaren door een Engelsche stoomboot, die op slag zonk. De kapitein zocht twee dagen lang met electrisch zoeklicht en wij slaagden er in de geheele bemanning te redden. Alleen de scheepshond was verdwenen. Later vonden wij ook dién aan de Weesperzij de terug.
Gelukkig konden wij den volgenden dag binnenstoomen.
Mijn schoonmoeder en mijn vrouw wuifden mij uit de verte toe. Tranen van weemoed en vadervreugd ontsproten mijn oogen. Mijn vrouw was moeder geworden.
„Mon Dieu,” zei schoonmama, mij omhelzend: „wat heeft de reisje goedgedaan. En wat ben je bruin-gebrand.”