REISVERHAAL 101
40° N.B. 11° W.L. De mondvoorraad was uitgeput. Water was er niet meer. Gelukkig herinnerde ik mij de broodjes met vleesch, de hardgekookte eieren, de zak met kletskoppen en de twee fleschjes bier van mijn zwager. De kapitein stelde ons op rantsoen. Nooit zal ik den dag vergeten toen de laatste kletskop verdeeld werd.,,Laten wij gaan visschen,” stelde ik voor. Maar er was niets anders dan haring en na verloop van tijd hadden wij ons daaraan zoo tegengegeten, dat wij prefereerden een dag te vasten. Gelukkig kwam een dag later een jol met lichte turf voorbij. De kapitein loste een noodschot en kocht nieuwen voorraad. Ook leende hij wat brood en pruimtabak. Met een snelheid van 14 mijlen in het uur (we hadden wind tegen — H.M. oorlogsfregat Atjeh haalt er 10) vervolgden wij nu onzen koers naar de Weesperzij, tot we bekneld raakten tusschen ijsbergen en schollen. „Wat nu?55 dacht de kapitein. Tot overmaat van smart verscheen een stoombootje van de havenpolitie, die den kapitein bekeurde wegens verboden aanlegplaats. Zes dagen lang liet de kapitein stoom los in het water om het te verwarmen. Het water werd over een afstand van een halve Engelsche mijl blank en alsnu stoomden wij met zulk een woeste snelheid op de ijsschollen toe, dat de splinters op verre afstanden neerkwakten en een passagier zich zóó verslikte, dat hij gedurende de verdere dagen dezer noodlottige reis bleef hoesten en bij aankomst aan de Weesperzij voor een paar maanden naar het zuiden van Frankrijk moest.
Ondertusschen had ik den halven jaargang van het Nieuws gelezen en op een morgen toen ik opstond, zag ik in de verte een straal omhoog spuiten. „Kapitein,” zei ik „ik vermeen een walvisch te zien.” Lang tuurde de kapitein door zijn verrekijker: „Ik vermeen,” zeide hij ernstig, „dat het de fontein op het Frederiksplein is, maar er kan ook ergens brand zijn.” — „Hoeveel vadem water hebben wij ?”