IOO REISVERHAAL
juist terwijl het oranjezonnetje door de wolken fleurde.
„Alle hens op het dek!” schreeuwde plotseling de stuurman. De orkaan was verschrikkelijk geworden. De mast zwiepte tot over het water en ééns — voorwaar, ik bezweer u, dat al deze lotgevallen heviglijk ondervonden zijn — ééns, toen het wimpeltje onder water dook, zwiepte zij (de mast) omhoog met een reuzenschelvisch (wijfje), die in den wimpel gebeten had en dus gevangen was. Onmiddellijk gaf de kapitein bevel het ondier te dooden. Wat geschiedde. De kok vulde haar op met balletjes, stoofde haar met beschuit, boter en citroen, waarop wij in de kajuit voortreffelijk dineerden. Als herinnering heb ik een graat bewaard die één meter vijf lang is.
Een donderend gekraak deed ons naar het dek stuiven. Het was begonnen te sneeuwen. ,,Er is een lek in de kuil,” rapporteerde een bootsmaat. Het water wies snel. In de kuil stond 43 cM. water, dat onmiddellijk bevroor en waarop de dames konden schaatsenrijden bij muziek van Gebr. van Lier. „Alle donders,” vloekte de kapitein: „pompen! pompen!” Alle passagiers werden genoodzaakt mede te helpen, om het schip drijvend te houden. De stoompomp werkte met volle kracht. Reeds helde de boot naar een zij over en stond de kapitein met een revolver in de hand gereed om de orde te bewaren, toen een doode kat door de zuiging in het gat geraakte en den watertoevoer tegenhield. Ik veegde mij het angstzweet van het gelaat en verdiepte mij in Ibsen’s Borkman uit het Noorsch door Jan Hendrik Róssing vertaald, toen de kapitein met een doodsbleek gezicht aan de passagiers vertelde, dat de kolenvooraad uitgeput was en ons verzocht, het hout, dat we konden missen, af te staan. Alle koffers werden stuk gehakt, alle sigarenkistjes en etui’s, maar na verloop van een dag lag de boot stil en doofden de vuren. Twee weken lagen we drijvend op