120 EEN STRIJDER.
te pakken had, en ’n spijtig woord klom naar de spits onzer tong, toen hij genoegelijk de toelichting gaf.
„Over meer zon beschik ik niet tot mijn leedwezen. Ja in mijn woning in Duitschland moet ik het met nog minder stellen. Zon is ’n duur artikel. Buitengewoon duur.” Zorgelijk observeerde-ie de zonne-ruit, diez’n sokken omgaf, en terwijl z’n mager, naakt lichaam bleek-vleezig tot waar ’t bruin nekvel cirkelde, aller-potsierlijkst ’tschamelrevolutiebouw-portaaltje, benard gangske van pleister-klungels en werkende paneelen, overvulde, terwijl de rol closetpapier keel-schrapertjes kuchte, van benee ’t nijverig kloppen des schoenmakers aandreef, de harige kuiten den zonne-bundel doorspaakten, sprak de directeur van het eerste Scheveningsch Lucht- en Zonnebad-Sanatorium. A. G.” met warmer-loopende overtuiging „’r Moest geen stad, geen dorp. geen gehucht zonder publiek zonne-bad bestaan! De zon is de hoogste zegen voor ’t lichaam! Poets liever nooit je tanden, laat je nagels groeien, verwaarloos eerder alles dan ’n zonne-bad! De grootste vriend van de menschheid, de eenige God, is de Zon, de Zon, de Zon!” .... Extatisch wees z’n ruige arm naar ’t kalkig plafond van ’t portaaltje, als brandde daar ’t schoone hemel-lichaam in opperste straling. Wij, niet in de stemming van zonne-aanbidding, waarlijk eenigermate afgeleid door de idylle van ’n zonne-plasje, ’n heer in zwembroek, ’n niet zeer zindelijke plee, hapten moeilijk adem op dien-smoorheeten doorloop en ons ’t voorhoofd drogend, listiglijk pogend, ’m naar de koelere kamer mee te tronen, vroegen we of-ie behalve de zonne-ontdekking nog meerdere uitvindingen voor ’t geluk der menschheid in portefeuille had. Dat belangstellend meeleven in z’n doen en laten, prikkelde ’m zoozeer, dat-ie uit ’t zonne-bad stapte, de deur der