EEN STRIJDER. 121
gelegenheid sloot, en ons met ’n naglanzing van zon op ’t gelaat, in de luchtbadkamer volgde. Daar, ’n literflesch melk openend, stak-ie ’n rietje in den hals en na wat slokjes geslurpt te hebben, zei-ie met aandrang: „Inderdaad, meneer, ik heb ’n tweede ontdekking gedaan, die voor de maatschappij van zóó hoog belang is, dat ik zonder overdrijving durf verzekeren, de oplossing van het sociale vraagstuk gevonden te hebben. U moet me echter beloven, mijn overdenkingen niet aan de groote klok te zullen hangen.”
„Zoo’n belofte is ’n weinig vreemd,” merkten wij op: „de oplossing van dat vraagstuk is toch immers van zulk ’n actueel en algemeen gewicht, dat de openbaarmaking feitelijk geen uur mag wachten.” „Nee,” zei hij gevleid: „’k moet wel degelijk reserves maken. Niemand leeft zonder ijdelheid — ook ik niet. Jaren, jaren heb ’k ’r over gedacht. Luister. Wat drinkt ’t kind dadelijk na de geboorte?” „Melk,” zeiden wij.
„Wat drinkt ’t kind als ’t niet meer aan de moederborst is?”
„Wederom melk," herzeiden wij.
„Welke melk?”, vroeg hij z’n voeten bepeinzend. „Van de koe,” antwoordden we geduldig.
„Juist,” sprak hij met klem: „ondankbaren als we zijn, vergeten we te spoedig welke verplichtingen we aan de koe hebben! De Koe en de Zon. De Koe en de Zon. Ware ik opvoeder van vele kinderen, ik zou ze nog vóór de tien geboden dagelijks laten herhalen: „de Koe en de Zon.” Die zijn voor de menschheid alles, ’n Volwassen man, ’n volwassen vrouw kunnen zich grootendeels met koemelk voeden— zooals ik. Vleesch is de pest. Wat ziet men nu? Negen en negentig procent van de koeien worden na ’t tweede of derde jaar geslacht, omdat ’t vleesch