overlijden op de fotopagina der dagbladen prijkten. Wat een vuilakken om een mooi onbevangen mens als oom Ricardo te verdringen en te willen vertrappen, dacht ik bij de sombere profetie van mijn vader.
Maar voorlopig waren Moekie en ik erg blij dat hij nog niet thuis was, mijn vader, en oom Ricardo eerst naar hartelust uithuilen kon en thee met een tikje rum drinken om wat op zijn verhaal te komen - ook ik kreeg direct een beetje rum in mijn thee, omdat ik met oom Ricardo mee gehuild had en ook weer op mijn verhaal moest komen, en het smaakte heerlijk naar iets vers en vreemds, thee met Jamaica-rum (zoals ik met enige moeite op de fles ontcijferde), het smaakte naar de wijde wereld waaruit oom Ricardo zo juist gekomen was op deze gure herfstavond.
Alleen werd Moekie een beetje onrustig, toen oom Ricardo haar geurige thee weliswaar uitbundig prees, doch, enkel om goed te proeven, en bovendien als geneesmiddel om zijn geschokte zenuwen te kalmeren, een glas rum zonder thee wilde drinken. En zulk een verfijnde smaak had oom Ricardo, dat hij de rum puur niet uit een theekopje kon drinken. ‘Dat moet een stevig flink glas zijn,’ zei hij en hij koos de tumbler, waar ik ’s ochtends mijn gehate melk uit dronk. Het was zulk een grote koude plas melk elke ochtend om acht uur - dezelfde hoeveelheid als rum gesavoureerd scheen heel andere gevoelens op te wekken. ‘Melk is goed voor elk’ - elke morgen ergerde me dit rijm in grote zware letters op de beker van mijn zusje; ‘Vooral goed voor zo’n schraal pips kind als jij bent,’ zei mijn vader streng. Ik vertelde oom van de witte kille melk, die ik nog een tijdlang hinderlijk in mijn maag voelde en die een soort van boze en kwaadaardige braafheid scheen te moeten opwekken om me op het schooluur voor te bereiden. (Een proef met warme melk was op een debacle uitgelopen: de witte vellen en de laffe kooksmaak hadden me misselijkheid en een vrije mor
75