meneer," moraliseerde deze steunpilaar der maatschappij, ,,'t Zijn toch zeker uw klanten, 'tis toch uw brood zoo te zeggen." „Me brood," bauwde de „oorontsteking" hem na, „me brood met margarine en met 39 graden koorts in me kop. Komt zoo'n kapsones-mensch een truitje ruilen voor de derde keer en ze ziet vlekkies waar geen vlekkies zijn en me kop barst me onderhand." „Iedereen mankeert wel eens wat," repliceerde de onaandoenlijke knoopenbranche luchtig en tactloos. „Zoo, mankeert wel eens wat, noemt ie dat," de oorontsteking ging half opstaan en ik vreesde haast dat hij de knoopenbranche te lijf wilde. „Beetje verkouwe hè, beetje last van hoofdpijn, zeker, met zoo'n dikke rooie kop heb je gemakkelijk praten," eindigde de tot op het bloed getergde hoonend.
Om erger te voorkomen gaf ik te kennen, dat oorontsteking iets afschuwelijks was en erg veel pijn deed; ik wist het toevallig van een goede kennis.
Ik had niet meer in de achting kunnen stijgen, wanneer ik een hertog van de bloede als goede kennis had gepresenteerd — het scheen nobel en eervol te zijn op goeden voet te staan met lieden die aan oorontsteking hadden geleden. Ik kreeg een drastische be