woordde hij terneergeslagen en beleefd, „ik ben nu al eenige jaren met pensioen.) Die ochtenden, dame, zijn niet om doorheen te komen; de middagen gaan nog, dan heb ik de soos en een borrel — maar die lange ochtenden, waar geen eind aan komen wil! Dan verlang ik soms naar m'n vroegere zakenreizen en de vroegtrein."
„Werk is een mooi ding, dame," besloot de goedige met groote overtuiging. Daarop kwam die gemeene lach van de „oorontsteking". Hij sprong pardoes in ons bezadigd net gesprekje en begon met iets duisters op schorren toon en slordige manier te zeggen: „Zouden jullie wel eens willen weten, wat ik bij elke klant denk, die de deur uitgaat, als ik weer in mijn zaak terugkom — heb nou in 't ziekenhuis gelegen, na de eene beroerdigheid krijg je de andere — raai es wat ik denk?" Het nette heertje keek hulpeloos naar mij en ik durfde niets te zeggen. „Stik, denk ik, daar nou!" Het onnette woord had ik vermoed bij 's mans geestesgesteldheid en we waren allemaal even stil.
Toen mengde zich de „knoopenbranche" er in, een onaangenaam tevreden en zelfingenomen iemand: „Staat u lang niet mooi,