schien beter gekozen voor het gesprekje, wanneer „de oorontsteking" er niet geweest was. Noch de dof-schorre stem, noch de zin zijner woorden — ik bedoel van den ongelukkige met een oorontsteking achter den rug — leek in eenig opzicht op het muzikaal gekabbel van een beekje. Hij had eerst wantrouwend en mistroostig naar ons zitten loeren met een gelaat, dat alleen uit verkeerde vouwen en rimpels gemaakt was en waar een paar waterige woedende oogjes, die' heelemaal met oogleden en al naar beneden hingen, de aantrekkelijkheid niet van verhoogden.
Hij zat er een heelen tijd zwijgend bij, onzeker of hij in ons tot dusver vreedzaam kabbelend gesprek zou springen, of tenslotte toch maar liever uit het venster naar de landschapsfilm of het niets staren — tot plotseling een zin zijn gekwelde ooren trof en hij in een leelijke doffe lach uitbarstte.
Het Groningsche heertje had de lof van den arbeid gezongen en het diep betreurd dat hij met pensioen was. Ik had nog getwijfeld en gevraagd „Pension?", omdat vele eenvoudige zielen het toch wel zorgenvrije, gemakkelijke pensioen met het vaak zoo troostelooze begrip pension verwarren. „Nee dame", ant