TREINCONVERS ATIE.
Het keurig geborstelde heertje met de peper-en-zout-kleurige hangsnor was verreweg de aardigste in die coupé. Ondanks het duidelijke bordje „Rooken" vroeg hij direct ouderwetsch-beleefd, of ik het verdragen kon, zijn sigaar. Juist om het rooken was ik er binnengegaan: treincoupé's op warme vancantiedagen zonder rookers, maar met moeders en kinderen, die teveel lekkers hebben gekregen bij tantes en opoes ruiken minder prettig dan de (althans vroeger) door dames gemeden rookcoupé's. „Het is altijd een afleiding voor ons mannen, het rooken," verklaarde het heertje joviaal-goedig met Groningsche nadruk-„ennen". En meteen zat ik midden in een treingesprekje, dat kronkelde langs afleiding, verveling, narigheid, helsche pijnen en middelmatige botheid. Ik weet niet precies of gesprekjes kronkelen mogen, taalkundig; meestal wordt dat alleen aan verscholen boschpaden en andere rustieke wegen vergund, waarlangs dan beekjes lieflijk kabbelen. En ik had dit laatste woord mis