kreeg, zegt kil en gereserveerd met een blik op den dood-vermoeiden Aziaat: „Dank u, het is me hier te luguber!" Het is hem te luguber, dezen Westerschen meneer, ook met imitatie koffertje, ook met harmonicabroek, ook met den hoed in de hand in naam van zijn firma — het is hem te luguber in een derde klasse vroegtrein coupé te zitten met een hoopje Aziatische ellende — met een Chinees.
Er had werkelijk niemand op die Chinees gelet. De Chinees sliep zacht en bescheiden en Oostersch. Hij waaide niet met couranten (van welke richting ook), hij at in 't geheel geen boterhammen, hij zong geen Schlager. Hij was maar een Oostersch iets met een rood blikken trommel, — van ver gekomen. En plotseling zegt Strass-galanterieën, diezelfde Strass-galanterieën, waar men zoo'n medelijden mee kreeg, omdat hij al zoo leelijk door zijn haren komt, Strass-galanterieën, die het wel niet zoo heel lang meer volhouden kan: „U bent een vlegel, mijnheer! Heeft die persoon U iets gedaan, mijnheer?” De mijnheer krabbelt terug: „Ik had het toch niet tegen U," verdedigt hij zichzelf laf en oneervol. En hij krijgt nog een boel meer te hooren, de kieskeurige ongeluksmijnheer: „Gaat U toch met de Mitropa, mijnheer, wanneer het je hier niet