wapperend en lawaaierig uit elkaar, een ander mispunt begint waarachtig al te neuriën en een paar sufferds zitten al te snorken. Men heeft zelf ook slaap en zou ook graag snorken, maar van een ander kan je het niet hebben — van een ander is het misselijk. Een ander is je vijand 's ochtends in den grauwen ochtend van den vroegtrein. Een ander is je vijand en een opgejaagde hond zooals jezelf, met een harmonicabroek en offerten en zorgrimpels, Een ander heeft het ook den avond te voren nog zoo kwaad niet gehad — met de courant en een kopje thee en Kovacs Lajos. — Goedkoop alles, gewoontjes alles, zoo'n gele half zijden lampekap en de dependance-courant van de groote courant en „Ach, wie ist das Leben schön” kwam wel een ietsje knarserig met bijgeluiden over. Maar er is warmte geweest en een beetje geborgenheid, zoowel voor je vijand met de Strass-galanterieën als voor jezelf, die het nieuwste, het beste en het elegantste zal lanceeren op het gebied van batisten strikken, kragen en nouveauté's. Strass-galanterieën raakt al leelijk door zijn haar, geen wonder dat hij een beetje snorkt — schiet al flink op, de arme kerel. Men kijkt er zijden-kousen-en-tricotages eens op aan en die schudt ook meewarig met zijn hoofd: