ons met de handen in de zijden onderzoekend aan. Ze had een volkomen verweerd maar toch nog ernstig en streng gelaat, Eens was het misschien nobel van lijn geweest, maar die verzuurde, verbitterde trek bedierf alles.
Ja, 'k had haar wel eens gezien, in de zomer met een versleten muts op, in een versleten kleurlooze mantel en daaronder een gerafelde rok in verschoten paarsroode kleur met afgezakte zwarte kousen. Het was nu een vroege Herfstdag en ze droeg haar winter kostuum; een hooge hoed van voor den oorlog met bloemen en veeren en een vogeltje erop en een oeroude pluche-mantel, die overigens een heel mooi patine heeft gekregen. De kleuren van het Herfstloof zitten in die oude mantel, want ze sjouwt er eiken dag mee door weer en wind, bij sneeuw en regen en zon, altijd is ze onderweg. Ik vroeg haar, of die pakken niet erg zwaar waren, maar ze antwoordde streng: „Als 't moet, voelt een mensch ’t niet zoo. De menschen zijn zoo slecht. Ik durf niets op mijn kamer achter te laten, want dan wordt ’t maar gestolen. Ik mag mijn kamer niet eens afsluiten. Alles wat ik heb neem ik mee, dan kan niemand ’t me af nemen. Wat ik nu nog bezit wil ik houden." De man met de blauwe oogen kijkt haar glimlachend aan en zegt na