een allersjofelst gekleede vrouw, die in beide handen koffertjes en pakken meesleepte, die met heel veel touwen omwonden waren. „Kent u haar niet?", vroeg hij me, ze komt hier anders eiken dag langs de kade. Ze heet Anna, ik noem haar de koffertjes-vrouw, omdat ze altijd alles met zich meedraagt, wat ze bezit. Wat maken de menschen 't toch noodeloos moeilijk voor zichzelf, vindt u niet?
Het is een erg wantrouwige vrouw, de kinderen schreeuwen haar vaak na, en de menschen in deze buurt zeggen, dat ze niet goed snik is. Maar ik vind 't niet zoo’n groot verschil met de andere menschen, die in banken en brandkasten hun geld en kostbaarheden bewaren. Zij is nu nog een van de laatste menschen die ik wel eens spreek. Och, we zijn allebei dagelijks op de wandeling langs de kade en dan leer je mekaar kennen. Een mensch kan toch niet altijd op z'n eentje in een kamertje zitten. Soms heeft een mensch behoefte aan aanspraak, begrijpt u wel? Hebt u haar nooit gezien, u komt altijd langs de kade?"
Intusschen was de vreemde vrouw naderbij gekomen, ze had haar kapotte pakken en koffers, die met zooveel touwen nog bij elkaar werden gehouden, op de grond gezet en keek