trouwens al veel trams voorbij gegaan, „Het is niet zoo heel erg, hoor," troostte de man met de blauwe oogen me, toen hij mijn verschrikt gezicht zag," Het is heelemaal niet erg. Je raakt er gauw aan gewend, aan zoo'n gedachte, Eens moeten we allemaal toch dood. Gelukkig maar dat ik geen vrouw of kind onverzorgd achterlaat.
Ik woon nu op een klein kamertje, een beetje vies en vuil. En mijn heele familie is uitgestorven, ik ben heelemaal alleen overgebleven, ik ben altijd op m'n eentje. Die tijd in België was dan toch maar heel mooi, ik denk er vaak over na. Maar een mensch kan het niet altijd zoo prachtig hebben. Een mensch moet zijn lot maar dragen, zooals 't voor hem beschikt is en maar afwachten. Och, ik heb nog een rustig leventje, ik wandel een beetje en ga dan in een cafeteria eten — die zijn anders lang zoo goed niet meer als in 't begin. Ik moet altijd blijven zitten, als ik gegeten heb, anders komt alles er direct uit. Maar zij kijken je er gewoon weg, ze willen niet hebben, dat je voor die paar dubbeltjes zoo lang blijft zitten". Het mannetje zuchtte weer.
Maar zijn blauwe oogen kregen een flauwe glimlach, toen hij mijn aandacht vestigde op