orchideeën in de kassen en de uitgebreide staf van personeel. Hij sprak van de bijzondere helderheid en de verzorgdheid van het kasteel en dat hij het er zoo heerlijk had gevonden. „Hoewel, ik geloof, dat ze met al hun onmetelijke rijkdom geen van allen erg gelukkig waren, madam, die in de duurste kleeren altijd alleen uitging, m'sieu die nooit uitging, keurig op zijn kamer was, maar altijd in ouwe vlekkerige jasjes zat te studeeren in zware folianten; madam lachte hard en veel, m’sieu lachte nooit, maar gelukkig waren ze geen van beiden en dat kleine lieve meisje leek ook al ongelukkig.
Maar ik vond het er erg prettig. En een eten dat je kreeg — of je in een fijn restaurant was. Maar daar zou ik nou niks meer an hebben. Mijn maag is te klein geworden, zegt de dokter van het steun. Het is een ziekte; ik kan zoowat niks meer verdragen. Haast alles komt er direct weer uit. Daarom vermager ik nou zoo, omdat ik haast niks meer eten kan." Even zuchtte het mannetje met de blauwe oogen en hij staarde in de verte over het wijde water van de kade.
„En nu wacht ik op mijn einde," zei hij ineens heel gewoon, precies of hij gezegd had: ik wacht nu op de volgende tram. Er waren