dat kind me, of ik wist hoe die bonte bloemen heetten, Toen ik de naam vertelde, zei dat kind: „Wat een mooie naam duizendschoon." Ik had medelijden met dat kind zoo heel alleen op dat groote kasteel, enkel met een strenge gouvernante in een uniform. Ze waren schatrijk en de kamers waren prachtig ingericht met oude schilderijen, er waren zóóveel kamers op dat kasteel en zooveel personeel en een groot park met een oprijlaan en madam en m'sieu hadden ieder hun eigen auto. Eigenlijk leefde ieder treurig in zichzelf en alleen voor zichzelf, Maar ik had een beste betrekking, nooit krijg ik meer zoo’n betrekking."
„Later heb ik nog allerlei betrekkingen in België gehad, bij een pastoor en op een bier-bottelarij, waar een stuk glas dwars door mijn hand geslagen is, het litteeken is nog goed te zien" en hij liet me een smalle vermagerde hand zien met een bloedroode streep erover heen. Ik vond het altijd een prettig leven in België, goedkooper en opgewekter dan hier, maar die eene betrekking op dat landgoed — zoo iets vergeet een mensch niet."
Hij kon maar niet ophouden te vertellen van de pracht van het huis, de zware tapijten en de statige oude meubelen en de prachtige