zijn postzegeldoosje en zijn bril, hij zag direct als iets niet op zijn vaste plaats lag en dan werd hij erg kwaad. Ja, daar was ik ook voor om de dingen precies op hun plaats te leggen en dat was heel prettig, M'sieu sprak soms in zichzelf en ik antwoordde zacht: „oui
monsieur" en hij knikte dan tegen me. Mooie betrekking vindt u niet? Maar vreemd was madam, elk oogenblik was ze weg, ze ging zelfs met de auto groenten halen op de markt — in de prachtigste kleeren — en ze hadden toch zóóveel personeel — begrijpt u dat nou?"
Ja, ik begreep wel iets van madame, waar monsieur haast nooit iets tegen zei. Op de markt rook het sterk naar fruit en uien — alles bij elkaar een lekkere lucht.
„Daar kan u gelijk in hebben," zei de man met de blauwe oogen, „uien ruiken wel vroolijk en ze kreeg ruikertjes duizendschoon toe. Madam keek naar die eenvoudige duizendschoontjes of het wonderen waren — en m’sieu had toch de tuin en de kassen vol staan met de duurste planten. Maar madam zette die duizendschoontjes in haar kamer. En dan was er nog een kind, zoo van een jaar of tien — soms liep het bij madam binnen en dan kwam het heel stil weer terug en eens vroeg