De sluier vooral wekte de volkswoede op. „Dat draagt ze, om d'r leilike porum te bedekke," concludeerde een deel der volkswoede. Een andere partij had een sterk vooroordeel tegen cosmetica, „smink” genoemd in de struische taal der niet-„geschminkten".
„Verref — verref — leilik — leilik", het klonk als een Turksch spreekkoor in de volksche monden. De massa was nu aangegroeid tot zoowat 100 koppen, De zon scheen lenteachtig-vroolijk en uitdagend. Het meisje begon te huilen en terug te schelden. „Fuile zwerrefers," snikte het arme kind. „Smerig vulles binne jullie. Rot vulles."
Het „Rot vulles" hief een gebrul aan, zooals men dat alleen van een woedende volksmassa te hooren krijgt; men kan het niet „dierlijk" noemen, want dieren brullen nooit zoo.
Toch had de beleedigende uitdrukking zijn uitwerking niet gemist — men kon het aan de replieken hooren. „Wij binne soo azze we binne, maar jij doet er verref an en een gordijn auverhein." Het was een schooiersrepliek waarin niettemin het ressentiment en de afkeuring der door de kudde niet getolereerde afwijking tot uitdrukking kwam.
Een bezadigde oude vrouw met een klein voorhistorisch wollen mutsje op een pruik,