hakken, misschien verlangde ze onstuimig naar haar pa en moe — ze ging geen straatje omloopen, maar bleef bellen, gillen en trappen, onder de toegewijde aandacht van 1 en 2 hoog. Ze had rustig op de stoep kunnen gaan zitten, desnoods haar Zondagsch kort rokje een beetje optillend voor het stof. Er zouden dan alleen meeuwen, katten en keien geweest zijn — verkieselijke requisieten, schoon van beweging, de eerste, rustiek en goed van kleur de laatste, hoewel voor hooge hakjes niet toegeeflijk.
Het is altijd beter op een stoepje te gaan zitten, in plaats van te trappen, te gillen en te bellen. Het laatste trekt te veelde aandacht. Vooral op Zondag, Ineens waren de schoone blanke meeuwen, de lenige zwarte en grauwe katten verdwenen—de keien blijven steeds — dat is een natuurwet. Het is ook een natuurwet, dat uit die keien ineens menschen te voorschijn komen, wanneer katten en meeuwen verdwijnen. Bijna als in de sprookjes. Hoewel — in de sprookjes zijn de dialogen nauwkeuriger en gekuischter en het loopt ook alles goed af. „En zij leefden nog lang en gelukkig met elkaar." Nu, zij leefden allemaal wel, maar, naar 't scheen, niet zoo bijzonder gelukkig.