„Jullie kenne toch wel opetrekke," riep de mondaine huilerig.
„Kenne wel, me kenne sooveil,” antwoordden de commensaals of de verloofden sloom en treiterig. Het waren toch verloofden, want een paar meiden zonder rouge of poeder gilden van het lachen, terwijl ze hun heeren beloonden voor de grap door ze op hun schouders te slaan van overmatig pleizier. De overhemdsman van 2 hoog riep totaal onlogisch: „Mot je nog wat rooie menie van maan voor je geverfde sm ... ?" Zijn dikke echtgenoote, die nu ook uit het venster puilde, vond dit niet ter zake doende antwoord „om te gieren". „Ik hep natuur," schreeuwde ze, „kaak naar me natuur, sloerie." Ze bezat inderdaad „natuur", behalve vet en boezem, in de vorm van blauwroode koonen, die op aanleg tot apoplexie wezen.
Het arme gesluierde kind smeekte: „La me nou toch derin, jullie hoeve toch alleen maar effe ope te trekke."
„Dat magge we van je pa en je moe niet," antwoordde de horde serviel ais de horde nu eenmaal is. „Je Pa en je Moe binne kwoad op jou — ze zitte rustigies boave," voegden ze er op teemerige toon bij.
Misschien was het meisje moe van de zwik-