meeuwen, katten en keien. Het was een eenvoudige buurt — des te opvallender dus deze verschillende bemoeiingen. Toch wuifde ze af en toe met een minuscuul wit zakdoekje naar een leege verte, waar een onverschillige blauwe matrozenkraag om de hoek van de straat verdween.
Toen belde ze aan bij een gammele verve-looze deur waar haar home scheen te zijn — vriendelijk afwachtend en droomerig starend over het water van het grachtje. Het duurde lang voor ze werd opengedaan; misschien gingen de radio's van de verschillende etages, waarvoor zoowat 7 naambordjes aangebracht waren, een tikje hard, geboeid als men was door de Hooghaarlemmerdijksche familie-geluiden van Oome Keesje, Dus ze nam, om den tijd nuttig te besteden, een spiegeltje uit haar tasch, om achteraf nog eens het resultaat van haar mondaine Zondagsche opmaak te bewonderen. Het resultaat scheen haar te bevredigen en voor het lange wachten schadeloos te stellen; ze belde nog eens opgewekt en vol verwachting.
Edoch — de deur bleef stug, het bovenste venster, waar ze een ongearticuleerd onverstaanbaar totem-roepje tegen gilde, afwijzend en met een dicht gordijntje, dat niet met