Het dametje kwam merkbaar voldaan van haar Zondagmiddag terug met alles wat een mensch onder zekere omstandigheden gelukkig kan maken: een voile hing rijk van haar hoedje af en versluierde teeder het Zondagsche gelaat, waarin alles glom; de voile probeerde pastelachtig oogen en mond te verdoezelen; op de mond was het rouge aangebracht als op ouderwetsche centsplaten van Jan de Wasscher — dat rouge liep er een beetje overheen. Verder leek het arrangement mondain en verleidelijk, af gezien ervan dat de jongedame telkens zwikte — maar ze deed het speelsch en of ze het zelf heel prettig vond telkens van haar onmenschelijk hooge hakjes af te vallen; ze herstelde zich steeds met een bevallig sprongetje. Dat deed ze allemaal heel verdienstelijk: de voile rechttrekken, zwikken, de camouflage hiervan en glimlachend rondkijken.
Eigenlijk waren er op dat late Zondag-namiddaguur geen bepaalde personen om al deze moeite aan te besteden — enkel