Intusschen had niemand de inzinking van Nini’s kunstprestaties gemerkt bij de „Ontwakende Elf". En juist danste ze het succesnummer, haar „Bescheiden Viooltje”, toen ik „der schone Gustav" door de draaideur zag binnenkomen. Ik haalde hem naar ons half vroolijk, half kwijnend gezelschap, terwijl ik stemming voor Mizzi maakte: „Een beauté, Gustav", prees ik aan als een harem-leverancier, „met veilchenblaue oogen en echte wimpers — moet je de wimpers alleen al zien — en rosblond — echt iets voor jou, Titiaanblond noem je het geloof ik, is niet?" Der schone Gustav was rijp voor rosblond en lange wimpers en kwijnend — het dienstmeisje van zijn ontrouwe getrouwde geliefde was hem hijgend tegemoet gekomen: „Meneer bleef den heelen avond thuis. Het speet Mevrouw heel erg," Maar de vrouwenkenner in hem vermoedde een gevaarlijker wezen dan een echtgenoot.
Er volgde nog een droom van een ijstaart met marasquin en vruchten er in; die kon ik op mijn gemak en ongestoord genieten, want mijn taak om Mizzi te troosten werd nu op 't aangenaamst door Gustav waargenomen — er was bijna geen vrouw, die der schone Gustav kon weerstaan, vooral de eerste keer