Weensche Mizzi te danken heb. Om den royalen Oscar — bij wijze van contraprestatie — gelegenheid te geven zich met de vurige Italiaansche bezig te houden zonder door Mizzi's jalouzie gestoord te worden, hield ik noodzakelijke eetpauzes teneinde de arme Mizzi te troosten. Eigenlijk had Mizzi een heel aardig kopje; ze zou een echt ouder-wetsch Oostenrijksch „süsses Madel" geweest zijn, als ze er niet zoo behuild roodneuzig had uitgezien. Het werd de gevaarlijke „vamp”, die Francesca graag voorstelde, daardoor veel gemakkelijker gemaakt: tegen een glimmend-rooden neus en roodbehuilde oogen kan bijna iedereen concurreeren. Ik ried Mizzi dringend aan eerst het gezicht te wasschen en daarna over te gaan tot een heel nieuwe make-up. „Het is altijd nog beter treurig te zijn, als je er aardig uit ziet dan wanneer je oud en leelijk lijkt,” zei ik extra aangedikt, want de drie obers kwamen met iets, dat mijn volle aandacht opeischte en tong in madeira-saus bleek te zijn. En alles ging goed dien avond. Mizzi schrok zoo van de woorden oud en leelijk, dat ze na eenigen tijd als verjongd, stralend van rosblonde schoonheid, terugkwam met alleen nog een ietwat kwijnenden blik, die haar buitengewoon flatteerde.