aan. Ik stond op het punt Nini met haar zwarte magie te verwenschen.
Ineens begon de droomerige dame duidelijk te huilen, zoomaar te huilen, bij champignons en kreeft en champagne; opziende moet haar mijn stom-verbaasde blik sterk getroffen hebben, want in een plotselinge menschelijke opwelling en blijkbaar onweerstaanbare behoefte aan mededeelzaamheid, medegevoel en bondgenooten, begon ze zonder eenige inleiding het woord tot mij te richten: „Dat ellendige brutale mensch ontsteelt me mijn levensgeluk. Ik ben al vijf maanden met Oscar — alles was zoo heerlijk, een idylle kan ik u zeggen en daar komt die geraffineerde gifmengster en alles ligt in scherven — in scherven —", herhaalde ze, precies als in een film. De Italiaansche lachte mooi en valsch en kneep Oscar in een van zijn dikke rozige wangen. Oscar stortte zich op mij als bliksemafleider en voor ik wist, wat er met me gebeurde, stond er ook kreeft en champignons en champagne op mijn tafeltje. Nini was verdwenen — ze hing ergens sentimenteel tegen een wit paffig man aan, den directeur van den Zwarten Huzaar.
Het zou alles volkomen goed geweest zijn, wanneer Mizzi niet aldoor zoo was blijven