nu een wonderbaarlijk goed functionneerende butler-automaat bij me in werking zijn.
Doch het vreeselijke woord moet eruit — het woord, waar ik in het begin van Kareis entree tegen had behooren te protesteeren: Ik ben maar een mensch, dat met een ander mensch, Karei genaamd, zoo nu en dan over mevrouw Van Berch van Vleuten en andere merkwaardige verschijnselen des levens heb gesproken. Ik had geen reserve, geen discipline. Daaraan heb ik het te danken, dat het beschavingsglazuur, door mevrouw Van Berch van Vleuten zoo zorgvuldig op Karei aangebracht, langzaam afbrokkelt. In het begin van de week herinnert het gesteven en gestreken jasje nog in de verte aan iemand, die eens een soort butler bij mevrouw Van Berch van Vleuten voor te stellen had. Maar het glazuur is zoowat verdwenen — de werkelooze, die eens kaaiwerker was, komt ruig en duidelijk te voorschijn .... Er loopt nu een man bij me rond in een tamelijk vuil jasje, die woorden als „mensch" gebruikt en soms nog erger.